Ga direct naar de inhoud
Download nu de Sportwereld Wielerapp voor op je smartphone!
Flanders ClassicsGa naar flandersclassics.be

Albéric Schotte

"Moeder, moeder, hoort gij mij? Ik heb gewonnen en ben wereldkampioen!"

Albéric (Briek) Schotte, bijgenaamd ‘IJzeren Briek’ of ‘Den Ijzeren’, (Kanegem, 7 september 1919 - Kortrijk, 4 april 2004) was een Belgische wielrenner en ploegleider. De Ronde van Vlaanderen, dat is Briek Schotte. En omgekeerd. De twee zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Hoe kan het ook anders? Briek nam maar liefst twintig keer deel aan Vlaanderens topklassieker, een indrukwekkend record. In 1940 was hij de jongste deelnemer, de Ronde van Vlaanderen was immers zijn eerste profwedstrijd, in 1959 de oudste ...

 

De man van ijzer

De Ronde van Vlaanderen, dat is Briek Schotte. En omgekeerd. De twee zijn onafscheidelijk met elkaar verbonden. Hoe kan het ook anders? Briek, bijgenaamd 'Den Ijzeren', nam maar liefst twintig keer deel aan Vlaanderens topklassieker, een indrukwekkend record. In 1940 was hij de jongste deelnemer, de Ronde van Vlaanderen was immers zijn eerste profwedstrijd, in 1959 de oudste. Schotte won in 1942 en 1948. Hij werd ook twee keer tweede en vier keer derde. In 1958 - Briek was toen 39 jaar oud - maakte hij deel uit van een kleine kopgroep en werd hij nog zesde. Schotte moet De Ronde zo’n 45-tal keer van dichtbij hebben meegemaakt. Na zijn wielercarrière bleef hij immers als ploegleider actief. Zo ‘won’ hij De Ronde bij Flandria nog vier keer met Foré (1963), Godefroot (1968), Leman (1970) en Dolman (1971). Het is dan ook evident dat Briek uren geanimeerd kan vertellen over de Ronde van Vlaanderen, de wedstrijd die hem meer dan welke andere zo nauw aan het hart ligt. "Er zijn misschien nog zaken die ik kan vertellen. Ik ben ze niet vergeten maar ik denk er misschien niet aan", zegt hij na uren gebabbel. Een gesprek met een levende legende.

"De Ronde van Vlaanderen tijdens en na de Tweede Wereldoorlog was mooier en spectaculairder dan nu het geval is", zegt Schotte. "Ploegentactiek bestond toen nog niet. Het was ieder voor zich. Iedereen reed voor de prijzen en de premies, toen nog de enige bron van inkomsten voor een renner. In mijn eerste Ronde verdiende ik 2.000 Bef. en als derde in het klassement kreeg ik 1.500 Bef. Als eerste de top van de Edelare  bereiken leverde me nog eens 500 Bef. op. Dat was allemaal veel geld toen. Het uurloon moet toen op zo’n 4 Bef. hebben gelegen. Er waren ook veel prijzen in natura. Ik herinner me de dag dat mijn moeder me in het washok zei: "Zal ik heel mijn leven hier in de 'kupe' (de kuip) moeten blijven roeren?" "Wacht" , antwoordde ik, "Ik ga uit de Ronde van Vlaanderen een wasmachine meebrengen. En het lukte nog ook" (lacht smakelijk).

Macadam was een uitzondering

Volgens Schotte is De Ronde van Vlaanderen in een halve eeuw tijd grondig veranderd. Vooral het parcours is vandaag eigenlijk niet meer te vergelijken met de wegen waarop hij ooit wielergeschiedenis schreef. "Wij moesten alle gemeentekommen door, waar overal kassei lagen", herinnert Briek zich. "Ik schat dat zowat een vierde van het parcours uit stenen bestond. Dat komt neer op zo’n zestig kilometerq. We gebruikten toen veel de 'veloweg', een grindpad naast de rijweg met veel putten en plassen. De helft van de koers werd op die fietspaden gereden. Ook op de Kwaremont en de Edelare had je de keuze tussen die verschrikkelijke kasseien en het erbarmelijke fietspaadje ernaast. Maar iedereen verkoos de 'veloweg', wat nogal toestanden gaf net voor Kwaremont en Edelare. Macadam (asfalt dus - rvw) was een uitzondering. Langs de kust gebruikten we telkens de geasfalteerde Koninklijke Baan, maar daar was de wind dan weer veelal spelbreker."

"Dat is trouwens nog een groot verschil met nu. Er werden vroeger bijna altijd al ferme brokken gemaakt voor we de zogenaamde bergen nog maar bereikten. Tijdens de eerste wedstrijdhelft waren waaiers schering en inslag. Verdomme, werd er toen daar een beetje gekoerst! Nu gaat men niet meer tot aan de kust. Dat is grotendeels verdwenen uit de koers. Waaiers zijn niet meer van deze tijd. En als er al eens eentje wordt gevormd speelt direct de ploegentactiek. Als er twintig renners voorop fietsen mogen er tien niet rijden van hun ploegleider, vijf willen niet rijden en drie anderen kunnen niet. "

"Aan de kust, maar ook elders, hadden we ook veel te maken met tramrails. Wel dertig, veertig keer moesten we daar overheen. Dat hield een groot gevaar in, vooral bij regenweer. Maar het aantal 'accidenten' bleef beperkt. Als de renners nu in Gent-Wevelgem bijvoorbeeld eens een tramspoor over moeten, liggen er telkens een pak tegen de vlakte. Het is ook een gewoonte, het springen over die gootjes. "

Een bende sukkelaars

Schottes verhalen over de Ronde van Vlaanderen zeggen niet enkel enorm veel over de wedstrijd  maar schetsen ook een duidelijk beeld van het wielrennen van de jaren veertig en vijftig in het algemeen. "Ik besliste prof te worden toen ik in 1939 als onafhankelijke de Omloop van het Westen in Bretagne had gewonnen. Dat was een profkoers waarin ook onafhankelijken waren toegelaten. Ik stond na vijf ritten, elk 200 tot 250 km lang, aan de leiding. Maar door de dreigende oorlog werd de wedstrijd stilgelegd en werd ik tot winnaar uitgeroepen. Ik was niet eens twintig en droomde van een profbestaan.

"Karel Van Wijnendaele, toen de grote spil in het wielerbestel, zorgde daarvoor. Daar moet men zich niet al te veel bij voorstellen. Van contracten was toen geen sprake. Je kreeg van de fietsconstructeur waarvoor je reed hooguit een fiets en een paar banden per seizoen. Voor de rest moest we zelf zorgen. Ik ben dikwijls met de trein naar Parijs geweest, met de zak op de rug. Je moest uiteraard ook zelf voor je licentie zorgen. Bovendien gebeurde alles toen bij de Wielerbond nog in het Frans. We waren eigenlijk een bende sukkelaars vergeleken met nu, maar we trokken onze plan."

Met naald en draad

Dat laatste was nodig in de wedstrijden zelf, want van volgwagens of depannagediensten was toen nog geen sprake. "Herhaaldelijke pech was toen veelal fataal", zegt Briek. "In 1941 liet de Duitse bezetter vermakelijkheden als de Ronde van Vlaanderen doorgaan. Maar de grote wegen mochten we niet gebruiken. De tweederangswegen waren vreselijk toen. Grind, putten, gestampte aarde. Het regende lekke banden. Voor Eeklo nog had ik al drie keer prijs.

Ik had maar twee banden bij en mocht er dus een kruis over maken. Maar van een omstaander kreeg ik naald en draad om de band te naaien. ik weet nog dat ik langs het water, via Deinze, naar huis ben teruggefietst."

"Die keren dat ik moest opgeven in de Ronde zijn aan pech te wijten. Ik reed twintig keer de Ronde maar ik kwam in totaal misschien één keer ten val, zonder erg dan nog. Maar lekke banden, wielbreuken en een kaderbreuk hebben me in 1943, 1945, 1947 en 1951 genekt. In dat laatste jaar knalde mijn band open tijdens de afdaling van de Kwaremont, waar op de grindweg ieder jaar talloze renners van de fiets moesten om te herstellen. In 1951 was het echter zo verdomd koud dat ik geen nieuwe band kon leggen omdat mijn vingers bevroren waren. Ik was wereldkampioen toen, maar als een klomp ijs verdween ik uit de koers. Ik kon veel verdragen, ik was misschien van ijzer, maar die dag moest ik toch buigen."

Broeken als natte dweilen

"Ik begrijp niet zo goed wat er de laatste jaren met het weer aan de hand is. Vroeger leken de winters me zoveel echter, zoveel gruwelijker. Toen ik nog een kind was, lag de sneeuw metershoog. Soms vonden we onze weg niet meer naar school. Het vroor toen ook dat het kraakte. Als het nu tien graden onder nul is denken de mensen dat ze aan de noordpool zitten. 't Is eigenaardig, die warme winters nu. Ze schieten het allemaal kapot zeker. In onze tijd hadden we niet eens handschoenen en hadden geen truien met lange mouwen. Bij regenweer plakten onze broeken als natte dweilen tegen onze billen. Maar we boerden voort. Waren de mensen harder toen? Misschien. Wellicht konden ze niet anders dan hard te zijn. Ik heb de indruk dat vandaag de dag de limieten van de renners minder hoog liggen dan in mijn tijd. Dat zal wel met de maatschappij te maken hebben. Alles is nu toch veel gemakkelijker geworden, toch?"

De ontgoocheling van 1950

Over zijn overwinningen in 1942 en 1948 is Schotte kort, al weet hij zich telkens zonder enige aarzeling haarscherp te herinneren hoe de wedstrijd verliep en wie bij de beslissende ontwikkelingen betrokken was. Dat hij op de erelijst net niet naast Achiel Buysse, Fiorenzo Magni en Eric Leman staat ­—zij wonnen elk drie keer de Ronde van Vlaanderen — maakt hem nog steeds kregelig. Vooral 1950 ligt me nog een beetje op de maag", zegt hij. "Qua weersomstandigheden was het een vreselijke Ronde. Sneeuw, hagel en wind die in je vingers, in je gezicht beet. Voorin zonderden Magni, Mahé en Van Est zich af, ik reed lek. Het was zo koud dat ik nauwelijks een nieuwe band kon 'steken'. Toen dat toch lukte kreeg ik mijn wiel er niet op. Een toeschouwer heeft toen de 'vleren' (vleugelmoeren) vastgezet. Ik verloor zeker vijf minuten. Ik heb toen de achtervolging van mijn leven gereden. Ik haalde iedereen bij, liet iedereen ter plaatse. Caput kon nog het langst bij me blijven, maar ook van hem kon ik wegrijden. Zonder die pech had Magni nooit kunnen wegrijden, daar ben ik zeker van. Van de dikke vijf minuten voorsprong die hij op me telde op de Muur hield hij er nog een goeie twee over.

In gesprekken met ex-renners is spijt een al of niet verdrongen constante. Ze wordt gevoed door alternatieve scenario's die jarenlang in hun achterhoofden bleven hangen. "Had ik het die dag maar zo aangepakt, dan... ". Maar gedane zaken nemen geen keer. "Er zijn ook Ronden geweest waarin ik zonder pardon werd geklopt", zegt Briek. "In 1946 was Rik Van Steenbergen superieur, een van de grootste wedstrijden die hij ooit reed. Ook ik reed toen geweldig, maar ik was niet de beste. Omdat Van Steenbergen onklopbaar was, blijft zo'n ereplaats niet knagen."

Soms is een ereplaats ook het gevolg van een overeenkomst, van een bewuste keuze die een renner heeft gemaakt. "In 1952 zat ik met Decock en Petrucci in de beslissende ontsnapping", zegt Briek. "In die tijd was er nog enige verstandhouding tussen de Belgische renners. Als puntje bij paaltje kwam hadden we nog altijd liever dat een landgenoot won in plaats van een buitenlander, zelfs al reed die landgenoot voor een andere ploeg. In die Ronde maakten Decock en ik dan ook een akkoord om Petrucci hoe da nook te doen verliezen. We spraken af om beurten te demarreren, tot Petrucci kapot was. Het toeval wilde dat de Italiaan een eerste keer niet reageerde op een uitval van Decock. Maar voor hetzelfde geld won ik die dag. In de Ronde van Vlaanderen is het niet anders dan in de rest van 't leven: soms moet je een beetje geluk hebben om er te geraken. Maar je moet wel eerst voorin zitten."

Trainingsverzetje

Tijdens de Tweede Wereldoorlog was het gebruik van een versnellingsapparaat verboden. "Dat was duur toen en niet iedereen kon zich een dergelijk apparaat veroorloven", herinnert Schotte zich. "Men besliste dan maar dat alle renners met gelijke wapens moesten strijden en de 'deraillieur' werd verboden. In 1942 won ik de Ronde van Vlaanderen met een verzet van 49 x 17. Een trainingsverzetje nu. Toch lag het gemiddelde een stuk boven de 34 km/u."

De recordreeks van Schotte

Albéric Schotte verscheen liefst twintig keer aan de start van de Ronde van Vlaanderen. Van 1940 tot en met 1959 (toen was hij bijna veertig jaar oud) was hij er ononderbroken bij. Zestien keer bereikte hij de aankomst. Die recordreeks is enkel vergelijkbaar met de achttien deelnames van de Italiaan Girardengo aan Milaan - San Remo. Briek won de Ronde van Vlaanderen in 1942 en 1948. Hij werd twee keer tweede en vier keer derde. Zijn resultaat jaar na jaar:

•   1940: derde na Achiel Buysse en Christiaens

•   1941: driemaal lek, opgegeven

•   1942: eerste

•   1943: defect op 6 km van de aankomst, 18de

•   1944: tweede na Van Steenbergen

•   1945: 23ste

•   1946: derde na Van Steenbergen en Thiétard

•   1947: tweemaal lek, opgegeven

•   1948: eerste

•   1949: derde na Magni en Ollivier

•   1950: tweede na Magni

•   1951: ziek, opgegeven

•   1952: derde na Decock en Petrucci

•   1953: 15de

•   1954: 21ste

•   1955: 24ste

•   1956: 8ste

•   1957: 21ste

•   1958: 6de

•    1959: kaderbreuk, opgegeven

De 258 km staan op de teller!
Flanders Classics
Download nu de Sportwereld Wielerapp voor op je smartphone!
Flanders Classics NV
Harensesteenweg 228
1800 Vilvoorde
tel +32 2 303 35 00
fax +32 2 303 35 54
download als vCard bekijk op Google Maps